Hulp bij inloggen     winkelwagen
Header NT2 | methode voor anderstaligen | ThiemeMeulenhoff

NT2+

Hoe ik minder praat en mijn NT2-cursisten meer zelf laat doen

Nederlands leren aan anderstaligen: dat doe ik het liefst in fysieke lessen, niet via een computerscherm. Toch is dat laatste precies wat ik sinds maart 2020 heb gedaan. De corona-aanpassingen waren behoorlijk wennen, maar ons team is erin geslaagd snel op online onderwijs over te stappen – en ik ben niet uitsluitend negatief over die overstap. Het heeft namelijk ook mooie inzichten opgeleverd. Welke? Daarover vertel ik in dit blog.  

 

Anne Hammers is sinds 2015 docent Nederlands als Tweede Taal (NT2) aan de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU), waar ze ook haar NT2-docentenopleiding volgde en stage liep. Naast lesgeven helpt ze materiaal te ontwikkelen of reviseren, waaronder Code+  (als co-auteur en -eindredacteur). Zij is nu bij NT2-docenten en -studenten op de VU hét aanspreekpunt met betrekking tot deze methode.

Toen ik NT2-docent werd, hoopte ik nooit meer een ‘computerbaan’ te krijgen. Ik werkte daarvóór namelijk als redacteur bij een aantal (online) nieuwsmedia en vond het frustrerend dat ik daarbij volledig afhankelijk was van een computer en internet. Het was een verademing dat ik een NT2-les in principe zonder digitale ondersteuning kon geven.
Maar toen brak corona uit. Opeens moesten we vanuit huis, online lesgeven. Hoe gingen we dat doen? Ons team onderzocht en testte razendsnel de technische mogelijkheden. Binnen een paar weken was iedereen aan de techniek gewend, van docent tot cursist, en kon ik me op de volgende vraag richten: hoe geef je eigenlijk goed online onderwijs? Want daar had ik nog helemaal geen ervaring mee.

Persoonlijke feedback geven

Aanvankelijk logde ik met de cursisten in op Zoom, vertelde ik hun op welke pagina van Code+ we waren en verdeelde ik ze over break-out rooms voor spreekoefeningen. Eigenlijk gaf ik dus op precies dezelfde manier les als in een lokaal. Het enige verschil was dat ik de cursisten nu op een scherm zag. Zo werkte ik mijn lesplan af en was ik best trots op mezelf. Dit was me toch maar mooi gelukt via internet! Na een paar weken merkte ik echter dat cursisten veel minder actief waren en dat hun niveau langzamer vooruitging. Het besef drong door dat online onderwijs toch een andere aanpak vereiste. Maar welke? Wat moest ik anders doen? Ik nam mijn lessen onder de loep en ontdekte onder meer dat ik in een online les minder feedback gaf op de spreekvaardigheid van cursisten dan in een fysieke les.

Ik ben een groot voorstander voor spreekoefeningen in groepjes: zo benutten cursisten hun spreektijd beter en kunnen ze van elkaar leren. Het is daarom fijn dat ik ze kan verdelen over break-out rooms. Wel is het lastiger om hun in deze virtuele ruimtes feedback te geven dan in een echte klas. Ik kan minder snel tussen groepjes bewegen en hoor niet meer met een half oor wat er in andere groepjes gebeurt. Bovendien kan ik minder makkelijk tussendoor iets uitleggen aan de hele klas. Ik compenseer die afname van feedback nu door elke cursist na de les spreekoefeningen te laten opnemen. Op elke opname reageer ik persoonlijk.

Minder praten, meer doen

Een ander gevolg van online lesgeven was dat ik naast mijn cursisten ook ineens mijzelf zag – op het scherm. In tegenstelling tot een fysieke les houdt een online les je zo voortdurend een spiegel voor. Je wordt je daardoor als docent veel bewuster van je gezichtsuitdrukking, gebaren en de manier waarop je spreekt. De coronacrisis wees me kortom indirect op mijn communicatievaardigheden. Ik leerde letterlijk naar mezelf kijken. Wat praat ik véél, was het eerste wat me opviel. En: telkens als ik aan het woord was, keken mijn cursisten passief in hun camera – of naar iets heel anders.

Door online te werken realiseerde ik me beter dat als ík actief ben tijdens de les, mijn cursisten dat waarschijnlijk niet zijn. Lang luisteren naar een docent is in een online les nu eenmaal (nog) sneller saai en vermoeiend. Inmiddels denk ik, wanneer ik mezelf hoor en zie praten: genoeg, nu moeten de cursisten wat gaat doén. Daarom maak ik bijvoorbeeld gebruik van interactieve en online tools, zoals Wordwall, en ik zorg voor een grotere variatie aan oefeningen.

Volwassenen serieus nemen

Binnenkort zullen we weer meer fysiek gaan lesgeven. Daar kijk ik erg naar uit, al ben ik niet van plan dat precies zo te doen als vóór corona. Hopelijk lukt het me om mezelf straks ook in de offline lessen minder centraal te zetten en om cursisten nog meer dan vroeger in groepjes te laten samenwerken en spreken. Ik zie mezelf nu meer als begeleider of regisseur dan als docent; die rol wil ik graag vasthouden.  

Daarnaast hecht ik dankzij deze periode van online onderwijs nog meer belang aan de feedback van cursisten. Ik heb gemerkt dat ik daardoor mijn lessen kan verbeteren. Zo schreef een cursist in een tussentijdse evaluatie: “Het is saai als de docent te veel praat.” En ik hoorde veel enthousiaste geluiden over online tools. Deze wil ik dan ook blijven gebruiken. Ik houd van de speelse werkvormen waarbij cursisten kunnen samenwerken en meteen hun eigen antwoorden kunnen controleren.

Met ‘speels’ bedoel ik trouwens niet ‘kinderachtig’. Woordoefeningen waarbij cursisten onder begeleiding van junglegeluiden op rondvliegende kokosnoten moeten klikken, vind ik niet geschikt voor volwassenen. Ik wil hun wel het gevoel geven dat ik ze serieus neem. Daarom maak ik oefeningen ook niet te makkelijk. Sterker nog, het liefst maak ik ze soms net iets te moeilijk. Want als ik íéts belangrijk vind in de les, online of fysiek, dan is het wel dat ik mijn cursisten blijf uitdagen.