Hulp bij inloggen     winkelwagen
Rekenmethode | Basisonderwijs | Alles telt Q | ThiemeMeulenhoff

Alles telt Q Rekenen voor het basisonderwijs

Alles telt Q in de praktijk

O.B.S. De Toonladder in Zwolle is als één van de eerste scholen gestart met Alles telt Q. We spraken drie leerkrachten over hun visie op rekenonderwijs en natuurlijk wilden we weten hoe ze Alles telt Q ervaren!

OBS aan het woord | ThiemeMeulenhoff

Leraren aan het woord

Vertel! Wie zijn jullie en hoe lang staan jullie al voor de klas?

Ik ben Danique en ik ben leerkracht van groep 1-2. Na mijn werkopleiding-stage op O.B.S. De Toonladder kon ik hier blijven als vaste leerkracht. Ik sta nu één jaar voor de klas en heb het heel erg naar mijn zin.

Ik ben Esmee en ik ben nu sinds twee jaar leerkracht van groep 4b. Daarvoor heb ik les gegeven aan groep 7 en groep 1-2. Daar viel ik wel eens in. Ik kon, net als Danique, na mijn werkopleiding-stage op deze school aan de slag als vaste leerkracht.

Ik ben Ina en ik werk al íets langer op deze school. Al 18 jaar sta ik met ontzettend veel plezier voor de klas. Dat zie ik ook niet zo snel veranderen! Ik geef op dit moment les aan groep 6. Daarnaast ben ik ook rekenspecialist op deze school.

 

Het rekenonderwijs is constant in ontwikkeling. Hoe anders is het nu in vergelijking met toen je zelf op de basisschool zat?

OBS aan het woord | ThiemeMeulenhoffEsmee: Voor mijn gevoel is het rekenonderwijs al véél verder. Soms denk ik “wow, moest ik dít al in groep 4 kunnen?”. Je merkt echt wel grote ver schillen. Het digitale stuk is er natuurlijk bij gekomen. Zo zijn er heel veel filmpjes om te laten zien. Daarbij zijn er ook meer handige tools om mee te rekenen, heel gemakkelijk vanaf het digibord. Als ik aankondig dat we eerst een filmpje gaan kijken voor de les gonst “YES, een filmpje!” door de klas. Het is natuurlijk hartstikke mooi dat die filmpjes zoveel enthousiasme bij de kinderen opwekken!

Danique: Ja, de lessen worden veel leuker met alles wat je op het digibord kan doen. En daarnaast heb je nu naar mijn idee ook veel meer materialen die je erbij kan pakken. Ik heb het niet zo in mijn geheugen zitten dat mijn juf of meester dat vroeger op de basisschool ook deed. Toen kreeg je gewoon een saai werkboekje dat je moest maken en verder waren er niet heel veel leuke materialen.

Ina: Wat ik me vooral kan herinneren is dat je eigenlijk alleen maar met je boek en je schrift voor je snufferd zat. Dat is nu echt niet meer zo. Je lette goed op wat de meester deed en dat deed je dan na. Snapte je het niet? Dan ging je aan zijn bureau staan en legde hij het nog honderd keer uit. That’s it. Dus geen instructietafel, weinig materiaal, niet het hoe en waarom je iets op een bepaalde manier moest doen. Je bent nu veel meer met inzicht bezig.

 

Wat zie je van de nieuwe inzichten in rekenonderwijs terug in Alles telt Q?

Danique: Ik zie bij de kleuters vooral de verwerking via de tablet of computer heel erg terug. Daarbij ziet de lesstof er ook heel aantrekkelijk uit voor de kinderen. Veel kleurtjes, spelletjes en filmpjes die ze aanspreken. Daarnaast heb ik voor groep 1-2 een mooi bronnenboek waar je lessen uit kunt halen. Het is fijn dat zoiets bestaat en dat ik dat in kan zetten als extra materiaal.

Esmee: Voor groep 4 hebben we de cockpit. Daar staan onder andere de lessen in. Bij veel methodes is de strekking: zó moeten kinderen het leren. Dat is dan ook vaak wat leerkrachten aanbieden. Met Alles telt Q heb ik meer het idee dat ik als leerkracht mijn deskundigheid kan inzetten tijdens de lessen. De lessen staan niet helemaal ‘voorgekauwd’ in de cockpit. Daardoor durf ik de methode veel meer los te laten. Die vrijheid vind ik heel fijn.

Kinderen aan het woord

 

Hoe zie jij dat als rekenspecialist, Ina?

OBS aan het woord | ThiemeMeulenhoff

Ina: Ik sluit me aan bij Esmee. Voorheen liepen onze leerkrachten van groep 3 er tegenaan dat kinderen een bepaald doel al onder de knie hadden, maar dat je dan alsnog in het boek bezig ging met hetgeen wat ze al snapten. Ik merk bij mijn collega’s nu een omslag in hoe ze werken. Ze worden steeds meer eigenaar van de rekenlessen. Natuurlijk was het even wennen: het werken met een nieuwe rekenmethode. Voor mij, maar ook zeker voor de kinderen. Aan de start van Alles telt Q heb ik de weer-klimkaart gebruikt. Hierbij laten de kinderen visueel zien wat hun mening is over hun rekenvaardigheden door middel van weersymbolen. Ze vulden alleen maar onweer en regen in. Ze vonden het maar niks. Alles was nieuw, moeilijk en veel. Logisch! Alles wat nieuw is, is wennen. Vandaag heb ik opnieuw de weer-klimkaart ingezet. Er waren nu heel veel zonnetjes of een klein wolkje met een zonnetje. De kinderen voelen zich thuis in de methode. Ze weten wat er van ze gevraagd en verwacht wordt.

 

Dat is fijn! Wat doe jij als leerkracht om je leerlingen te motiveren en ze op hun gemak te stellen met betrekking tot het rekenonderwijs?

Esmee: Als ik zie dat kinderen het lastig hebben met een rekenles, probeer ik daar wel op in te spelen. Ik zeg dan “weet je, het is ook lastig. Dat maakt niet uit. Je kunt het nog leren!”. Ik begin elke les ook met zeggen dat je het nu misschien nog niet kunt, maar dat je het wél gaat kunnen. Door dat te herhalen en door ze te prijzen wanneer iets goed gaat, gaan leerlingen het zelf ook inzien: “o, ja, ik kan het!”. Dat is hartstikke mooi.

 

Dat komt mooi terug in de growth mindset die verweven in Alles telt Q zit. Hoe ervaren jullie deze manier van denken?

Esmee: Ik denk dat de kinderen het zelf niet heel bewust doorhebben. Maar ik breng het wel degelijk op ze over. We hebben op dit moment bijvoorbeeld twee lessen over hetzelfde onderwerp. In les 5, 10 of 15 komt datzelfde onderwerp aan de orde. Tijdens die les zeg ik dan van tevoren tegen ze “Hé! Dit kennen jullie nog, toch? Hoe zat dat ook alweer?”. Ik zie dan wel gelijk dat kinderen denken “ja, dit weet ik!”. Het is mooi om te zien dat ze zelf steeds meer eigenaar worden van hun leerproces. Je ziet kinderen ook bijna letterlijk groeien als ze door hebben dat ze iets kunnen en snappen.

Doordat Alles telt Q een hele fijne opbouw en structuur heeft, vind ik het als leerkracht ook gemakkelijker om in te spelen op de growth mindset. Bij onze oude methode ging de lesstof kriskras door elkaar heen. Dan wist je als leerkracht niet altijd waar je aan toe was, laat staan de leerlingen.

Ina: Wat ik ook mooi vind is dat je kinderen moet leren om bekwaam te worden binnen de vaardigheden binnen rekenen. Vaak weten ze het wel, maar moeten ze net dat zetje in de rug krijgen om dat ook van zichzelf te zien. Een growth mindset helpt hierbij.

 

Hoe zie je de growth mindset terug bij de kleuters, Danique?

Danique: Als we gaan rekenen, zeggen de kinderen al snel dat ze het niet leuk vinden en dat ze het niet kunnen. Dus dan benadruk ik heel erg dat we het sámen gaan doen. Ik ga heel positief zo’n les in en zeg vaak “kijk nou, je kan het! “en “Misschien heb je hulp nodig, maar dat geeft helemaal niets!”. Daarbij laat ik leerlingen die het al wel kunnen de anderen helpen. En dan hoor je uiteindelijk: “Ik kan het wél, juf!”. Dat is prachtig.

Leraren aan het woord

Waar bestaat een goede rekenles uit volgens jullie?

In koor: interactie met de kinderen!

Esmee: Ja, je maakt de lessen lekker levendig en betrekt kinderen veel bij de stof. Als jij alleen maar voor de klas staat en je dingetje vertelt, luistert de helft maar. Als je af en toe een keer roept “O, help! Wat moet ik nou weer met deze som doen?’, dan zie je de kinderen per direct alert worden. Wij rekenen vaak een uur per dag. Als je dan drie kwartier zelfstandige verwerking hebt, is dat natuurlijk best wel lang. Dat gaven twee leerlingen ook aan mij terug. Dan is het zaak om ze tussendoor weer een beetje wakker te krijgen door iets leuks met ze te doen.

Danique: Ik vind het in een rekenles ook heel belangrijk om dingen concreet te maken. Zeker bij kleuters zijn getallen natuurlijk heel abstract. Ik laat ze het rekenen zelf ervaren door middel van materialen en zelf dingen doen. Spelletjes werken daar heel goed bij.

Ina: Wat ik bij de bovenbouw heel belangrijk vind, is om eventuele rekenangst weg te nemen. Veel kinderen denken bij voorbaat al dat ze iets niet kunnen of dat ze het niet leuk vinden. Ik vind dat voor mezelf een fijne uitdaging. Ik ga met ze aan de slag en uiteindelijk kunnen ze het. Dan zie je ze stralen joh! Heerlijk!

 

Oké, dus veel interactie, concreet maken en laten zien dat leerlingen het wel degelijk kunnen. Hoe komt dit terug in Alles telt Q?

OBS aan het woord | ThiemeMeulenhoffDanique: In het bronnenboek staat bij elke les welke materialen je erbij kunt gebruiken. Dat is heel erg fijn. Zo heb je én de interactie én je maakt rekenen heel concreet. Ik ervaar hierbij ook heel veel vrijheid. Wil ik het iets anders aanpakken? Dan doe ik dat gewoon. De methode laat me hier vrij genoeg in.

Esmee: Het is ook heel fijn dat de werkschriften jaarlijks vernieuwd worden. In een boek heb je dat natuurlijk niet. Daar zit je jaren aan vast. Rekenonderwijs verandert continu en Alles telt Q speelt daar goed op in. De werkschriften en de cockpit vind ik echt top!

Danique: Daar ben ik het mee eens. Het bronnenboek wordt ook telkens verder uitgebreid met nieuwe lessen. Er komen steeds meer nieuwe spelletjes voor de kleuters. Dat is heel prettig.

 

Waarom raden jullie Alles telt Q aan?

Danique: Alles telt Q heeft ook materialen voor groep 1-2. Dat heb ik met andere methodes die ik voorheen gebruikte nooit zo ervaren. Je legt dus in de kleuterklas al een basis met de methode waar ze in de volgende groepen ook mee werken.

Esmee: Het is telkens vernieuwend, altijd in ontwikkeling. Dat is heel mooi. Daarnaast vind ik het fijn dat je twee lessen aan hetzelfde doel werkt. Dat zie je niet bij alle methodes terug. Andere methodes gaan vaak van de hak op de tak. Bij Alles telt Q heb je focus.

Wat ik ook mooi vind is het werkschrift. Ik merk dat dat voor jonge kinderen heel prettig werkt. Voorgaande jaren hadden we eigenlijk elk jaar wel het gepriegel met een los schriftje. Als ik dan zei “sla deze som maar even over”, was het vaste antwoord vaak “Maar juf, hoeveel ruimte moet ik dan overslaan?”. Dat heb je met dit werkschrift niet. De structuur van het werkschrift is voor kinderen heel fijn. Het werkschrift is echt het middel waar de kinderen in werken. Met andere methodes heb je vaak een boek waar je in werkt met daarbij een werkschrift en ook nog een werkboek. Dat is te veel en verwarrend voor kinderen. Nu is het gewoon lekker één werkschrift. Ik houd daar wel van.

 

Formatief evalueren is één van de pijlers van Alles telt Q. Hoe ervaren jullie dit in de klas?

Ina: Het creëert zelfreflectie wanneer leerlingen in het werkschrift moeten invullen of ze iets al wel of niet zo goed kunnen. Dat heeft veel toegevoegde waarde. Ook voor de leerkracht. Als je de hele dag hebt lesgegeven, is het soms best lastig om terug te halen welk kind meer moeite had met een bepaalde opgave. Je pakt nu het werkschrift erbij aan het einde van de dag. Daar lees je dan heel gemakkelijk hoe kinderen de rekenles of het rekendoel hebben ervaren. Zo tackel je rekenproblemen sneller.

Esmee: Dat kinderen zelf mogen aangeven hoe goed ze iets vinden gaan, is voor veel leerlingen lekker laagdrempelig. Durven ze het niet zo goed om naar de leerkracht te gaan met een vraag? Dan schrijven ze dat nu zelf in hun schrift op en dat komt dan vanzelf wel bij de juf of meester terecht. Maar ook voor de leerkracht is het heel fijn. Soms zie je dat een leerling van zichzelf zegt dat iets heel goed gaat, maar ontdek je toch foutjes in het werkschrift. Het is dan gemakkelijker om even in gesprek te gaan met dat kind om te kijken waar het precies mis gaat.

 

Tot slot: wat is jullie beste tip als het gaat om rekenonderwijs?

Ina: Ga in gesprek met kinderen! Je moet echt weten wat er in dat koppie omgaat. Je moet weten wat er speelt. Kom erachter. De enige manier om dat te ontdekken is om met het kind te praten. Ik ben ervan overtuigd dat jij als leerkracht, los van elke methode, moet weten hoe een leerling rekent. Om rekenangst te tackelen, om rekenmotivatie te houden en om de kinderen goede strategieën aan te leren.

Danique: Bij de kleuters vind ik dat je echt moet laten zien wat je doet en wat je bedoelt. Zoals het tellen. Laat zíén hoeveel iets is, doe het voor, gebruik materialen. Dat is heel belangrijk voor groep 1-2. En daarbij is het ook heel belangrijk om te stimuleren. Blijf zeggen dat ze het rustig aan mogen doen. Dat we het samen doen en dat ze het dan vanzelf alleen kunnen.

Esmee: Wat ik heel belangrijk vind, is het spelenderwijs rekenen. Door middel van bewegend leren, bijvoorbeeld. Ga lekker naar buiten met je kinderen! Zet een estafettevorm uit op het schoolplein. Laat ze rennen en leren tegelijk. Ze hebben dan eigenlijk niet eens door dat ze aan het rekenen zijn, terwijl ze er wel héél druk mee bezig zijn. Je moet als leerkracht alleen durven én er de tijd voor nemen. Maar doe dat, want kinderen leren er super veel van!

 

Tekst en fotografie: Laura Schoots

Kinderen aan het woord

Alles telt Q | ThiemeMeulenhoff

Alles telt Q

Meer weten over de nieuwe rekenmethode met de groeimindset als basishouding?

Nog een artikel lezen over het rekenonderwijs van de toekomst?